Ademhaling


Ga gemakkelijk zitten, op een stoel of op je meditatiekussen zo kan je lichaam tot rust komen. Leg je handen in je schoot, handpalmen omhoog. Je linkerhand rust in je rechterhand, de duimen raken elkaar zachtjes.
Zit je op een stoel? Zet dan beide voeten plat op de grond.
Stel je nu voor dat er een touwtje uit je kruin omhoog wordt getrokken. Laat het je wervelkolom zachtjes oprichten.
Je kunt deze oefening uiteraard ook liggend doen, als dat prettiger is.
Laat je ogen langzaam zakken en laat je blik vervagen — zonder nog ergens scherp op te stellen. Sluit dan zachtjes je ogen.
Breng je aandacht naar je buik en laat je adem daar rustig komen en gaan. Probeer je adem niet te sturen — laat hem gewoon z’n gang gaan.
Observeer je ademhaling zoals die is:
in … en uit … in … en uit …
Soms gaat je adem sneller, soms langzamer. Soms lijkt het even alsof je niet ademt. Dat is allemaal oké. Verander niets, kijk alleen.
Misschien merk je dat je aandacht afdwaalt — naar gedachten, geluiden, gevoelens. Zie ze als wolken die voorbijdrijven in een open lucht. Laat ze gaan, en breng je aandacht rustig terug naar je adem.
Heb je verwachtingen over wat deze oefening ‘zou moeten’ opleveren? Laat ook die los. Als er gevoelens opkomen, wees er dan bij. Je hoeft niets te doen — niets te analyseren, niets te veranderen. Laat het er gewoon zijn.
En keer telkens opnieuw terug naar het volgen van je adem.
Dat is genoeg.